William Erwin Eisner (1917 - 2005) was een Amerikaanse cartoonist, schrijver en ondernemer. Hij was één van de eerste cartoonisten die in de Amerikaanse stripindustrie werkten. Zijn bekendste serie is The Spirit (1940-1952). Lees verder

Eisner werd geboren in 1917 in Brooklyn. Hij groeide op in armoede en het gezin verhuisde vaak. De jonge Will Eisner raakte vaak in fysieke confrontaties betrokken vanwege het antisemitisme van klasgenoten.
Hij was een gretig liefhebber van pulp-tijdschriften en films, waaronder Avant-Garde-films zoals die van Man Ray. Tot teleurstelling van zijn moeder had Eisner de interesse in kunst van zijn vader, die hem aanmoedigde door kunstbenodigdheden voor hem te kopen.
Eisners moeder berispte zijn vader vaak omdat hij het gezin geen beter inkomen kon geven. De gezinssituatie was vooral nijpend na de beurskrach van Wall Street in 1929, die het begin markeerde van de Grote Depressie. In 1930 was de situatie zo wanhopig dat Eisner’s moeder eiste dat Will op dertienjarige leeftijd een manier zou vinden om bij te dragen aan het gezinsinkomen. Hij ging aan het werk als krantenverkoper op straathoeken, een competitieve baan waarbij de sterkste jongens vochten om de beste locaties.
Eisner ging naar DeWitt Clinton High School. Daarna studeerde hij een jaar bij de Art Students League of New York. De contacten die hij daar legde, leidden tot een baan als reclameschrijver-cartoonist voor de krant New York American. Eisner tekende ook illustraties voor pulp-tijdschriften, waaronder Western Sheriffs en Outlaws, voor $ 10 per pagina.
In 1936 stelde zijn middelbareschoolvriend en collega-cartoonist Bob Kane (Die later bekend zou worden met Batman) voor dat de 19-jarige Eisner zou proberen om cartoons te verkopen aan het nieuwe Comic book Wow. "Stripboeken" waren destijds tabloidformaat verzamelingen van herdrukken van krantenstrips in kleur. In 1935 begonnen ze af en toe nieuw origineel materiaal op te nemen. Wow-redacteur Jerry Iger kocht een Eisner-avonturenstrip genaamd Captain Scott Dalton, een held in de stijl van H. Rider Haggard die de wereld rondreisde op zoek naar zeldzame artefacten. Eisner schreef en tekende vervolgens ook de piratenstrip "The Flame" en de geheimagenten-strip "Harry Karry" voor Wow.
Eisner & Iger
Wow duurde vier nummers (omslagdatum juli-september en november 1936). Na afloop werkten Eisner en Iger samen aan het produceren en verkopen van origineel stripmateriaal. Hun partnerschap was een onmiddellijk succes, en de twee hadden al snel een stal van striptekenaars die werk leverden aan Fox Comics, Fiction House, Quality Comics (voor wie Eisner personages als Doll Man en Blackhawk mede creëerde), en anderen. Met een winst van $ 1,50 per pagina beweerde Eisner dat hij “erg rijk werd voordat ik 22 was”. Hij en Iger alleen al in de depressieperiode van 1939 verdienden samen ongeveer $ 25.000, een aanzienlijk bedrag voor die tijd.
The Spirit
Op een dag kreeg Will Eisner een uitnodiging van Everett M. "Busy" Arnold, uitgever van Quality Comics. Deze wilde onderzoeken of hij de kranten kon interesseren met een Comics-zondagsbijlage, omdat hij zich ervan bewust was dat veel kranten het gevoel hadden dat ze moesten concurreren met het plotseling opkomende nieuwe medium van Comic books, zoals Superman (1938), Batman (1939)…(Will Eisner kreeg in 1938 een brief van Jerry Siegel en Joe Schuster met daarin het ontwerp van een strip genaamd ‘Spy’ en nog één; ‘Superman’. Hij schreef terug dat ze nog niet klaar waren voor New York. Hun stijl was nog niet professioneel genoeg voor deze competieve markt).
Eisner herinnerd zich: “Arnold nodigde me op een dag uit voor de lunch en stelde me voor aan de verkoopmanager van de kranten Register en Tribune Syndicate, die zei: "De kranten in dit land, met name de zondagskranten, willen concurreren met de stripboeken en ze willen graag een Comics-bijlage krijgen”… Hij vroeg of ik dat kon doen... Dat betekende dat ik mijn studio ‘Eisner & Iger’ zou moeten verlaten. We waren toen erg winstgevend. Een moeilijke beslissing. Hoe dan ook, ik stemde ermee in en we begonnen de deal te bespreken, wat inhield dat ik partner zou worden in de "Comic Book Section", zoals ze het toen noemden en ik verkocht mijn aandeel in de studio van Iger”.
Eisner vertrok dus om "The Comic Section”, zoals het genoemd werd, te creëren. "Ze gaven me een volwassen publiek", zei Eisner in 1997. “Ze vroegen om een heldhaftig personage, een gekostumeerd personage. Ze vroegen me welk kostuum hij zou krijgen. Ik wilde betere dingen schrijven dan die Superhelden. En ik zette hem een masker op en zei: 'Ja, hij heeft een kostuum!'"
“Ik wilde korte verhalen te maken. Ik heb strips altijd beschouwd als een legitiem medium, mijn medium. Het creëren van een detective-personage leek mij het beste om mijn verhalen te vertellen. De mensen van het syndicaat waren het er niet helemaal met eens... In mijn eerste gesprek met 'Busy' Arnold, concentreerde zijn denken zich op een superhelden-personage (We gebruikten het woord 'superheld' in die tijd niet... ) en ik was er fel tegen, omdat ik mijn buik vol had van het creëren van gekostumeerde helden bij Eisner en Iger. Op een avond, rond drie uur 's nachts, was ik nog steeds bezig om het personage te vinden - ik had nog maar anderhalve of twee weken om het eerste nummer te produceren, de hele deal was vrij gehaast afgerond - en ik kwam op de proppen met een, zogenaamd overleden, outlaw-held, geschikt, zo vond ik, voor een volwassen publiek.
De naam van het personage kwam van Arnold: "Toen ’Busy' belde hij stelde voor een soort geest of een soort metafysisch personage. Hij zei: 'Wat dacht je van iets dat de ‘Ghost’ heet?' en ik zei: 'Nee, dat is niet goed,' en hij zei: 'Nou, noem het dan de ‘Spirit’. Ik zei: ‘Zoiets komt toch niet in de buurt, ik weet niet precies wat je bedoelt,' en hij zei: 'Nou, ik vind de woorden “The Spirit” gewoon leuk.' Hij belde ergens vanuit een bar, denk ik... En eigenlijk, hoe meer ik erover nadacht, hoe meer ik me realiseerde dat de naam me niet veel kon schelen. Ik liet het zo…”
The Spirit is een fictieve gemaskerde Amerikaanse misdaadbestrijder die nu eens niet beschikt over superkrachten en verscheen voor het eerst als stripbijlage bij zondagseditie van de kranten Register en Tribune Syndicate. De bijlage liep van 2 juni 1940 tot 5 oktober 1952.
The Spirit is de alias van Denny Colt, een privédetective en criminoloog gevestigd New York, later in het fictieve Central City, die in een schijndood belandt terwijl hij de waanzinnige wetenschapper Dr. Cobra probeert te arresteren. Officieel dood verklaard, herleeft Colt nadat hij begraven is op Wildwood Cemetery. Met medeweten van zijn oude vriend, politiechef Eustace Dolan, wordt Colt een domino-masker dragende "friendly outlaw" die criminelen achtervolgt die anders misschien vrijuit zouden gaan binnen de traditionele wetshandhaving. The Spirit bezit geen superkrachten, maar vertrouwt op zijn verstand en zijn fysieke krachten.
Hij komt tijdens zijn avonturen vaak ‘Femmes Fatales’ tegen, waaronder serie-verleider P'Gell (Met hoeveel mannen is zij al niet getrouwd geweest, die op mysterieuze wijze aan hun einde kwamen?), “Thief-turned-troubleshooter” Silk Satin, en zijn vervreemde jeugdvriendin Sand Saref.
The Spirit weerspiegelde en anticipeerde op de Film Noir en de fictie (Raymond Chandler’s Philip Marlow en Dashiel Hammett’s Sam Spade) in de jaren 40. Eisner zei in 2001 dat hij de strip had gemaakt als een middel om verschillende genres te verkennen: "Toen ik The Spirit maakte, had ik nooit de intentie om een superheld te creëren. Ik had nooit het gevoel dat The Spirit de strip zou domineren. Hij diende als een soort identiteit voor de strip. Het was het vertellen van verhalen waar ik in geïnteresseerd was." In sommige afleveringen verschijnt de held kort, bijna incidenteel, terwijl het verhaal zich richt op een waargebeurd drama dat zich afspeelt in straten, vervallen huurkazernes en met rook gevulde achterkamers. Maar naast het geweld en pathos leefde de strip vooral op humor.
De oorlog
Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak (voor de VS) in december 1941 moest Eisner het leger in. Hij kreeg enkele maanden de tijd om The Spirit over te dragen aan zijn studiomedewerkers en vertrok toen om zijn steentje bij te dragen aan de oorlog.
Hij werd toegewezen aan de kampkrant op Aberdeen Proving Ground, waar hij betrokken raakte bij het gebruik van strips voor training. In Baltimore, waar een gestencilde publicatie met de titel Army Motors werd samengesteld, hielp hij bij het ontwikkelen van het format. Hij begon met het maken van cartoons, zodat hij de mogelijkheid had om met de GI's in hun eigen taal te praten. Dus strips als lesmateriaal.
Eisner creëerde vervolgens de educatieve strip en het titelpersonage Joe Dope voor Army Motors, en bracht vier jaar door met werken in The Pentagon, waar hij het munitietijdschrift Firepower redigeerde en "alle algemene illustraties - dat wil zeggen, cartoons" deed voor Army Motors. Hij bleef daaraan werken en aan het daaropvolgende tijdschrift uit 1950, PS, The Preventive Maintenance Monthly, tot 1971. Eisner illustreerde ook een officiële legerpamflet in 1968 en 1969 genaamd The M16A1 Rifle, speciaal voor troepen in Vietnam om de beruchte vroege betrouwbaarheidsproblemen van het M16-geweer met goed onderhoud te minimaliseren.
Na de oorlog nam hij het werk aan The Spirit weer op zich. Dit is grafisch gezien de beste periode. De strip werd beroemd om zijn sfeertekeningen en de bijzondere perspectieven.
Er verschenen in totaal meer dan 600 wekelijkse afleveringen in 12 jaar (1940 - 1952).
In de jaren zestig en zeventig herdrukten diverse uitgevers de avonturen, vaak met omslagen van Eisner en met enkele nieuwe verhalen van hem.
Graphic novels
Eisner gaf de Comic Art Convention van 1971 de eer voor zijn terugkeer naar strips. In een interview uit 1983 zei hij: “Ik herinner me dat ze me belde in New London, waar ik zat als voorzitter van de raad van bestuur van Croft Publishing Co. Mijn secretaresse zei: 'Er is een meneer Seuling aan de telefoon en hij heeft het over een stripconventie. Wat is dat?' Ze zei: 'Ik wist niet dat u een cartoonist was, meneer Eisner.' 'Oh ja,' zei ik, 'in het geheim; ik ben een verborgen cartoonist.' Ik kwam naar beneden en was verbijsterd door het bestaan van deze hele stripwereld. ... Dat was een wereld die ik had verlaten, en ik vond het erg opwindend, erg stimulerend".
Eisner ging later uitgebreid in op zijn ontmoetingen met underground striptekenaars en uitgevers, waaronder Denis Kitchen:
Ik ging naar de conventie, die werd gehouden in een van de hotels in New York, en er was een groep gasten met lang haar en onverzorgde baarden, die literatuur produceerden, echt populaire 'goot'-literatuur als je wilt, maar pure literatuur. En ze pakten illegale onderwerpen aan waar nog nooit een stripverhaal mee was begonnen. ... Ik kwam daaruit met het besef dat er toen een revolutie had plaatsgevonden, een keerpunt in de geschiedenis van dit medium. ... Ik redeneerde dat de 13-jarige kinderen waar ik in de jaren 40 voor had geschreven, niet langer 13-jarige kinderen waren, ze waren nu 30, 40 jaar oud. Ze wilden iets meer dan twee helden, twee supermensen, die tegen elkaar botsten. Ik begon te werken aan een boek dat ging over een onderwerp waarvan ik vond dat het nog nooit eerder door stripverhalen was geprobeerd, en dat was de relatie van de mens met God. Dat was het boek ‘A Contract with God’…
Eind jaren zeventig richtte Eisner zijn aandacht op langere verhaalvormen. A Contract with God: and Other Tenement Stories (Baronet Books, oktober 1978) is een vroeg voorbeeld van een Amerikaanse graphic novel, waarin thematisch gekoppelde korte verhalen in één gebonden boekdeel zijn gecombineerd. Eisner ging verder met een reeks graphic novels die de geschiedenis van de immigrantengemeenschappen van New York vertellen, met name Joden, waaronder The Building, A Life Force, Dropsie Avenue en To the Heart of the Storm. Hij bleef nieuwe boeken produceren tot in zijn zeventiger en tachtiger jaren, met een gemiddelde van bijna één per jaar.
Zijn latere werk was het hervertellen in stripvorm van romans en mythen, waaronder Moby-Dick. In 2002, op 85-jarige leeftijd, publiceerde hij Sundiata, gebaseerd op de deels historische, deels mythische verhalen van een West-Afrikaanse koning, "The Lion of Mali". Fagin the Jew is een verslag van het leven van Dickens' personage Fagin, waarin Eisner probeert voorbij het stereotiepe portret van Fagin in Oliver Twist te gaan.
De laatste graphic novel, The Plot: The Secret Story of The Protocols of the Elders of Zion, is een verslag van het maken en weerleggen van de antisemitische hoax The Protocols of the Elders of Zion, werd kort voor zijn dood voltooid en in 2005 gepubliceerd.
Prijzen
Eisner is erkend voor zijn werk met de National Cartoonists Society Comic Book Award voor 1967 (evenals in 1968, 1969, 1987 en 1988)
In 1975 werd hij bekroond met de Inkpot Award en de Grand Prix de la ville d'Angoulême.
Ook kreeg hij de Story Comic Book Award in 1979, en de Reuben Award in 1998.
Hij werd opgenomen in de Academy of Comic Book Arts Hall of Fame in 1971 en de Jack Kirby Hall of Fame in 1987. Het jaar daarop werden de Will Eisner Comic Industry Awards ter ere van hem opgericht. In 2015 werd Eisner postuum verkozen tot de Society of Illustrators Hall of Fame.
